Onderzoek

Archeologie

Dit interdisciplinaire project combineert bronnen en methoden uit de archeologie, geschiedenis, micropaleontologie en de geologie. Op deze pagina lichten we de voornaamste technieken en werkwijzen toe per discipline, te beginnen met de archeologie.

Opgraving Hoeke

Drone-beeld van de opgravingssleuf te Hoeke

Gebaseerd op eerder geofysisch onderzoek en topografische reconstructies van de voorhavens (klik hier), werd in de zomer van 2021 een opgraving uitgevoerd te Hoeke. De opgraving bracht de dichtgeslibde Zwingeul, de verschillende bedijkingsfasen (12de tot 14de eeuw) van de geul en een goed bewaarde houten kade aan het licht. Deze werd gebouwd met hergebruikte onderdelen van zeeschepen, waaronder een grote plank afkomstig van de bodem van een kogge, en vormt zodoende een uniek bewaard archief van middeleeuwse scheepsbouw. Grote hoeveelheden ijzerslakken en steenkool uit Newcastle wijzen bovendien op de aanwezigheid van smederijen die actief waren in het historisch geattesteerd herstel van zeeschepen in deze haven. De uitzonderlijk goed bewaarde resten van o.a. scheepstouw en een stuk geweven wol – wellicht een deel van een zeil – sluiten hier bij aan.

De opgravingen en vondsten onderstrepen de belangrijke maritieme rol die Hoeke innam in het Brugse havennetwerk en in de interregionale maritieme handel in de middeleeuwen. Mede door de aanwezigheid van de Hanzeaten – een machtige commerciële associatie van enkele Noord-Europese havensteden – speelde Hoeke een cruciale rol in de ontwikkeling van Brugge tot dé economische maritieme draaischijf van Noordwest-Europa. Door de hoge grondwatertafel zijn de resten van deze internationale haven zeer goed bewaard. Het unieke karakter van deze vindplaats en de uitzonderlijke staat van het bodemarchief, maken van Hoeke een belangrijke archeologische site op Europees niveau.

Verdere duiding

Het archeologisch onderzoek naar de verdwenen Zwinhavens vatte aan in 2013. Door middel van niet-invasieve technieken (luchtfotografie, geofysische- en veldprospectie, historisch bronnenonderzoek, …) werden de verdwenen Zwinhavens van Hoeke gelokaliseerd en in kaart gebracht. Het stadje Hoeke was een belangrijke voorhaven van Brugge en diende als eerste uitvalsbasis voor de Duitse Hanze, een commerciële associatie van enkele Noord-Europese havensteden. Deze Hanzeaten, of ‘Oosterlingen’ zoals ze in de middeleeuwen ook werden genoemd, bekleden er een belangrijke positie en investeerden in lokale infrastructuur. De voorbije twee jaar onderzochten de wetenschappers er met behulp van geologische boringen tot 12m diepte verschillende getijdengeulen. Deze zomer ging de laatste onderzoeksfase van start: een opgraving in een deel van de verdwenen havenzone langs het dichtgeslibde middeleeuwse Zwin.

Bij het boor- en opgravingsonderzoek werd voor het eerst het geulensysteem van het middeleeuwse Zwin aangesneden en bemonsterd voor verder geologisch en paleo-ecologisch onderzoek. Deze getijdengeul blijkt ontstaan te zijn door een gedeeltelijke heruitschuring van een reeds opgevulde, oudere getijdengeul uit de Romeinse tijd. Het ontstaan, de dynamiek en de landschappelijke karakterisering van deze geulen vormt het voorwerp van studie in samenwerking met de Belgische Geologische Dienst (KBIN) en lopend doctoraatsonderzoek aan de Vakgroep Geologie van de UGent (zie verder op deze pagina).

Vrij snel na het ontstaan van de Zwingeul, vermoedelijk in 1134, werden dijken aangelegd. Dit gebeurde in minstens 4 verschillende fasen, waarbij in de laatste uitbreiding een uitgestrekt platform werd aangelegd door middel van het storten van zandige klei en grote hoeveelheden ijzerslakken. De flank van het platform die op de Zwingeul aansloot werd met hout beschoeid waarbij de onderdelen bestonden uit hergebruikte planken en balken van middeleeuwse (zee)schepen. Geofysische metingen laten toe om dit kadefront over een lengte van minstens 60 m vast te stellen. Het bestaat uit een uniek archief van Europese middeleeuwse scheepsbouw.

3D-visualisatie van de opgegraven kade

Op basis van de constructiekenmerken van het gebruikte hout konden verschillende middeleeuwse scheepstypes ontwaard worden, waaronder zowel kleinere platbodems voor lokaal gebruik als grotere zeegaande schepen zoals de zogenaamde kogge. Van dit laatste scheepstype is een lange plank (5,65 m bij 0,55 m) uit de bodem van een schip gevonden. Het hout werd reeds dendrochronologisch gedateerd tussen 1265 en 1283, wat een halve eeuw ouder is dan de koggen die in 2000 werden gevonden bij de graafwerken voor het Deurganckdok te Doel. De eik waaruit de koggeplank werd vervaardigd werd bovendien gekapt in de regio van NO-Duitsland of NW-Polen, een kernregio voor de zeevarende handelaars van de Duitse Hanze. Het andere hout dat bij het onderzoek werd gevonden, wordt momenteel verder geanalyseerd om ook hier de precieze kapdatum en herkomst te bepalen.

3D-visualisatie van de plank

Onder meer deze volledige steengoedkruik werd gevonden in de Zwingeul.

Naast middeleeuws scheepshout leverden de opgravingen ook leder, aardewerk en ballastkeien op, afkomstig uit alle hoeken van Europa. Het zijn stille getuigen van het leven in en rond een middeleeuwse haven. De grote diepte en de natte omstandigheden, zorgden bovendien voor de uitzonderlijke bewaring van organisch materiaal, zoals in teer gedrenkt mosbreeuwsel – gebruikt om schepen waterdicht te houden – en intact (geknoopt) scheepstouw.

Het meest opmerkelijk was de vondst van een stuk grof geweven textiel dat ca. 1,5m lang is en opgerold in de Zwingeul lag. Vondsten rondom het weefsel dateren het stuk rond 1300. Alhoewel detailstudie meer licht zal werpen op de juiste aard van deze vondst, wijst vergelijkend onderzoek er op dat het wellicht een stuk van een scheepszeil betreft. De vondst in archeologische context van een dergelijk goed bewaard stuk textiel is een unicum in onze contreien. De scheepsresten maar ook het touw en het textiel worden momenteel onderzocht in het kader van een doctoraatsonderzoek dat voor het eerst het verhaal van de schepen en de scheepvaart in het middeleeuwse Zwin archeologisch wil reconstrueren.

Tot slot dienen duizenden ijzerslakken vermeld te worden. Ongetwijfeld staan deze afvalproducten van ijzerbewerking in verband met de historisch geattesteerde aanwezigheid van smederijen die actief waren in het scheepsherstel op deze plek. Bijzonder is dat de brandstof voor de smidsen bestond uit steenkool afkomstig uit Newcastle; het is één van de vroegste attestaties van het gebruik van deze brandstof. De reconstructie van de technologie van het middeleeuwse ijzersmeedproces, en de herkomst van de grondstoffen vormen eveneens het voorwerp van doctoraatsonderzoeken.

Aardenburg

Geofysisch (EMI) onderzoek door 3Dsoil buiten de stadskern van Aardenburg.

Naast deze archeologische studie toegespitst op Hoeke, worden de voorhavens ook in hun bredere context bestudeerd. De focus ligt hierbij op de transformatie van natuur- naar cultuurlandschap in de Zwinstreek tussen de 3de en 13de eeuw. Op basis van schaarse historische en archeologische bronnen lijkt het aannemelijk dat de start van deze landschapstransformatie met name plaatsvond in en rondom Aardenburg, een Romeins fort dat uitgroeide tot een vroegmiddeleeuws machtscentrum en uiteindelijk één van de oudste steden in het Graafschap Vlaanderen. Hoewel er in Aardenburg al meer dan 70 jaar lang archeologisch onderzoek wordt verricht, zijn de resultaten van deze opgravingscampagnes nooit volledig uitgewerkt. Daartegenover staat de rurale regio rondom Aardenburg, die juist een gebrek aan data kent. Onderzoek door archeoloog Dante de Ruijsscher bestaat enerzijds uit een synthese en herziening van opgravingsdata en anderzijds nieuw veldwerk gebaseerd op non-destructieve prospectietechnieken: remote sensing, elektromagnetische inductie, veldkartering en handmatige boringen. De uit dit onderzoek verkregen informatie moet in combinatie met aanvullende data uit het GOA-project leiden tot een gedetailleerder inzicht in de menselijke impact op de oevers van het Zwin.

Geschiedenis

De Keure van Nieuwpoort, 1163.
Rijksarchief Brussel, Gemeente Nieuwpoort Oud Archief, 399bis.
DiBe ID 4000, in Diplomata Belgica, de Hemptinne, et al. (eds.), https://www.diplomata belgica.be/charter_details_fr.php?dibe_id=4000.

Omdat middeleeuws Brugge de noordelijke handelsroutes langs de Baltische en Scandinavische havensteden verbond met de handelscentra in het Middellandse Zeegebied en vervolgens ook via de zijderoute met het Oosten, kende het onderzoek naar handel in Brugge al heel wat interesse bij historici. Toch bleef het onderzoek tot nu toe vooral beperkt tot luxehandel, financiële instrumenten en de rol van hosteliers en makelaars in het Brugge van de 14de en 15de eeuw. De vroege commerciële ontwikkeling van de Zwinhavens, en meer algemeen de Vlaamse kuststreek, kende daarentegen minder aandacht. Het doel van dit project is om voornamelijk de handelsstromen van minder waardevolle grondstoffen te onderzoeken, zoals kolen, steen, metalen en houtproducten. Naast de aard en de herkomst wordt ook de bestemming en het gebruik van deze goederen in ogenschouw genomen. Dit levert niet alleen een grondig begrip op van het internationale handelsnetwerk, maar brengt ook de implementatie van die bulkgoederen in de stedelijke economie aan het licht. Dit onderzoek bestrijkt chronologisch de periode tussen ongeveer 1150 en het begin van de Gentse Opstand (1379-1385), het moment waarop buitenlandse kooplieden tijdelijk gedwongen werden het graafschap Vlaanderen te verlaten.

Primaire bronnen betreffende tolcollectie, meer specifiek toltarieven, informeren ons over de import, export en transit van handelswaar. Dit maakt het mogelijk om een notie te krijgen van de commerciële aantrekkingskracht van bepaalde steden en handelsnetwerken. Naast het identificeren van deze goederen kunnen deze eerder statische bronnen gehanteerd worden om de karakteristieken van economische ontwikkeling gedurende de 12de en 13de eeuw te analyseren. Meer specifiek, in vergelijking met het 11de-eeuwse tarief van Arras, wijzen gelijkaardige bronnen van Letterswerve (1160s), Nieuwpoort (1163), Saint-Omer (1167 en late 12de eeuw) duidelijk op een diversificatie van handelswaar vanaf de tweede helft van de eeuw. Goederen zoals specerijen, metalen, stenen, bier en bepaalde kleurstoffen en pigmenten maakten daarenboven duidelijk deel uit van een internationaal handelsnetwerk. Het voorkomen van die internationale goederen wijst op die manier op een heropleving en versteviging van langeafstandshandel. Een verdere vergelijking met 13de-eeuwse tarieven, zowel binnen als buiten Kust-Vlaanderen zal ons begrip van commerciële groei in Vlaanderen verder verruimen. Hierbij wordt onder meer rekening gehouden met het karakter van de goederen (bulk- of luxehandel), het transport (land – en waterwegen, maritiem en binnenlands verkeer) en de exacte formulering van voorschriften (wat een indicatie kan zijn voor het faciliteren van internationale handelaars) doorheen de tijd.

Tenslotte, om een inzicht te krijgen in de eigenlijke handel van deze producten, maakt Elisa Bonduel gebruik van praktijkbronnen over de collectie van tollen. Omdat er voor Vlaanderen amper bronnenmateriaal beschikbaar is voor 1350, maakt ze gebruik van de Engelse Customs Accounts én Patent en Close Letters uit de vroege 14de eeuw. In een case study analyseert ze bovendien het goederenverkeer tussen de oostkust van Engeland en Vlaanderen. Dit is niet alleen interessant om het goederenverkeer tussen deze twee regio’s te bestuderen. De oostkust maakte immers deel uit van een groter maritiem netwerk tussen de Lage Landen, het Balticum, Scandinavië, Schotland en Engeland. Op die manier informeert deze analyse ons over de positie van kust-Vlaanderen – en de Zwinhavens – in dit internationale handelsnetwerk.

Het markttarief van Saint-Omer (late 12de eeuw).
Archives Communales, Layettes AB XVIII, n° 15, fo. 34v-35r.
Tolrekening uit Hull. Goederen die geïmporteerd werden in Hull door Vlaamse schepen (Sluis, Hoeke, Ijzer, Lombardsijde, Grevelingen).
National Archives Londen, Customs Accounts, E122/55/23, fo. 6.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Micropaleontologie

NPP: HdV type 531 Trichuris sp.: ei van parasiet afkomstig uit mens of dier.

Het vroegere landschap rond het Zwin zal gereconstrueerd worden door een micropaleontologische analyse van kustvlaktesedimenten. Dit onderzoek focust enerzijds op terrestrische palynomorfen (vb. pollen, sporen en niet-pollen palynomorfen [NPPs]) en anderzijds op mariene palynomorfen (vb. diatomeeën, eencellige groene algen en dinoflagellaten). Beide soorten micro-organismen worden geëxtraheerd uit kustsedimenten door chemische maceratie. Het identificeren en kwantificeren gebeurt vervolgens met een transmissie lichtmicroscoop onder hoge vergroting gezien de kleine afmetingen van de micro-organismen (doorgaans < 50 µm). De lokale evolutie van het landschap kan uiteindelijk bepaald worden door de evaluatie in een synoptisch plot van de verticale variatie van terrestrische palynomorfen zoals pollen van bomen, kruiden en aquatische planten, sporen en NPPs. De aanwezigheid van bijvoorbeeld marine diatomeeën of dinoflagellaten in de verticale sequentie zijn dan weer indicatief voor mariene inbraken. Deze data zullen ons toelaten om de evolutie in vegetatie te visualiseren doorheen de tijd en helpen ons aldus om de laatmiddeleeuwse landschappen rond de getijdengeul te reconstrueren.

 

Geologie

Om de fysische omgevingsomstandigheden te definiëren die bepalend waren voor de opkomst, de hoogdagen en de achteruitgang van het Brugse havensysteem, waarbij het accent ligt op het gebied van Hoeke gelet op archeologisch casusonderzoek aldaar, is het noodzakelijk dat de Laat-Holocene sedimentaire paleomilieus in het gebied worden gedefinieerd en hun evolutie gereconstrueerd. Om deze doelstelling te bereiken is het noodzakelijk dat het geologisch onderzoek start in een tijdssegment voor de havenactiviteiten omdat de hoedanigheid van de oudere omgeving (fysisch en ecologisch) invloed kan gehad hebben op zowel de impact als de sterkte waarmee factoren (zie hieronder) de Zwingetijdengeul in die tijd hebben doen ontstaan. Daarenboven wordt door de reconstructie van de opeenvolgende sedimentaire omgevingen informatie gegenereerd over de complexe relatie tussen externe veranderingen (vb. stormen, kortstondige klimatologische veranderingen); sedimentatie- en erosieprocessen, inherent aan het sedimentaire systeem of extern geïnduceerde (vb. relatieve verandering op zeeniveau) en zeker niet te vergeten de menselijke activiteit.

Het primaire instrument gebruikt bij de reconstructie van de sedimentaire paleoomgevingen is faciesanalyse. Maar omdat elke plaats en elke omgeving uniek is, is het noodzakelijk om een classificatie van lithofacies in te voeren op basis van een reeks gemeenschappelijke fysische eigenschappen eigen aan het gebied, waardoor de vergelijking en integratie van gegevens op regionale schaal mogelijk is. De dominante textuur en de aanwezigheid van organisch materiaal (in dit geval veen) vormen de basiscriteria bij het definiëren van de hoofdlithofacies. Ieder hoofdlithofacies wordt verder onderverdeeld op basis van de ondergeschikte textuur en sedimentaire kenmerken zoals primaire sedimentaire structuren, of het ontbreken ervan, vervormingsstructuren, bodemvorming, de aanwezigheid van calciumcarbonaat, van organisch materiaal (resten van fauna en/of flora), bioturbaties… . De bruikbare data zijn hoofdzakelijk afkomstig van boringen en elektrische sonderingen (CPT-e’s). CPT-e’s zijn een belangrijk instrument maar het is essentieel dat de CPT-waarden gekalibreerd worden met de lithologie waargenomen in de boringen.

CPT-e boringen in het Zwingebied.

Op basis van de gegevens afkomstig van de gearchiveerde boringen en sonderingen, blijkt dat, hoewel algemeen wordt aanvaard dat een enkele Holocene getijdengeul aanwezig is in de ondergrond van het studiegebied, verschillende getijdengeulen bestaan, allemaal met verschillende afmetingen en verschillende opvullingfacies. Daarom is het in het kader van deze studie noodzakelijk om 1) de stratigrafische positie van de verschillende geulen te bepalen; 2) hun regionale verbreiding; 3) hun evolutie en 4) hun relatie met de laatmiddeleeuwse havenactiviteiten. Als de sedimentaire eigenschappen het toelaten, worden geochronologische methoden toegepast om de afzonderlijke geulopvullingen absoluut te dateren (AMS  14C daterend op terrestrische, o.a. botanische resten, mollusken en OSL/IRSL-dating).

Aangezien het aantal boringen en in sommige gevallen ook de kwaliteit van de bestaande boringen voor de vooropgestelde doelstellingen ontoereikend zijn, wordt een reeks nieuwe boringen gepland. Tijdens de boorcampagne zal bijzondere aandacht besteed worden aan de identificatie van mogelijke extreme energetische afzettingen (storm/tsunami) in het sequenties en hun stratigrafische positie. Indien aanwezig, zullen de storm/ tsunami horizonten worden bemonsterd en geanalyseerd met technieken zoals X-ray-CT (UGent); en micro-CT (GSB).

Nadat iedere boring en sondering geïnterpreteerd is op basis van die ingevoerde lithofacies classificatie zal de nadruk gelegd worden op de correlatie van de afzonderlijke data om een regionale faciesmodel te ontwikkelen. Een essentiële stap in dit proces is de ontwikkeling van een reeks geïntegreerde dwarsdoorsneden die zo zijn geconstrueerd dat een ruimtelijk overzicht wordt gecreëerd.

Tenslotte zal op basis van de gereconstrueerde sedimentaire omgevingen, hun stratigrafische positie en, indien beschikbaar, absolute dateringsresultaten een late Holocene paleogeografische reconstructie van het Zwingebied gemaakt worden.

Publicaties