Onderzoek

Archeologie

Dit interdisciplinaire project combineert bronnen en methoden uit de archeologie, geschiedenis, micropaleontologie en de geologie. Op deze pagina lichten we de voornaamste technieken en werkwijzen toe per discipline, te beginnen met de archeologie.

Gebaseerd op eerder geofysisch onderzoek en topografische reconstructies van de voorhavens (klik hier), wordt een opgraving gepland te Hoeke. Haaks op de dijk langs het Zwin wordt een sleuf aangelegd om de datering en de structuur van deze dijk en bijhorende haveninfrastructuur te bepalen. Deze opgravingen laten ook toe om de paleogeografie van Hoeke voor en na het indijken van het Zwin beter te begrijpen. Structuren worden geregistreerd in 3D en geïntegreerd in een ruimtelijke databank (GIS). Bijzondere aandacht gaat eveneens uit naar landschappelijke staalname en naar de contextuele informatie van de vondsten.

De studie naar de herkomst (bijvoorbeeld door geochemische analyses) en aantallen van de vondsten (aardewerk, bot, metaal, steen, …) geeft een inzicht in de stroom van goederen die het Zwin bereikten. Naast een indicator voor handel, bieden deze objecten de mogelijkheid om de verschillende gemeenschappen (zoals Duitse of Spaanse handelaars) in deze regio beter te begrijpen. Materiële cultuur is namelijk sterk verbonden met aspecten van cultuur en (groeps)identiteit.

Naast deze archeologische studie toegespitst op Hoeke, worden de voorhavens ook in hun bredere context bestudeerd. De focus ligt hierbij op de transformatie van natuur- naar cultuurlandschap in de Zwinstreek tussen de 3de en 13de eeuw. Bij gebrek aan een omvangrijk historisch bronnenbestand en bijbehorend kaartmateriaal, is deze periode momenteel nog zeer slecht gekend. Op basis van schaarse historische en archeologische bronnen lijkt het aannemelijk dat de start van deze landschapstransformatie met name plaatsvond in- en rondom Aardenburg en in de omgeving van Sint Anna ter Muiden, tot de late 13de eeuw de belangrijkste steden bij de Zwinmonding. Onderzoek door archeoloog Dante de Ruijsscher bestaat dan ook uit een gedetailleerde archeologische landschapsstudie naar deze twee steden en de hun omringende kustvlakte tot ca. 1300, het hoogtepunt van hun bloei en de historische bevestiging van de ingedijkte staat van het gebied. Binnen de huidige kernen heeft reeds versnipperd archeologisch onderzoek plaatsgevonden en zal het huidige onderzoek vooral in het teken staan van synthese van opgravingsdata. Voor de huidige buitengebieden is beschikbare archeologische data zeer schaars, waardoor de methodiek voor deze zones vooral zal steunen op non-destructieve prospectietechnieken: veldkartering, luchtfotografie, LiDAR, elektromagnetische inductie en handmatige boringen. De uit dit onderzoek verkregen informatie moet, in combinatie met aanvullende data uit het GOA-project leiden tot een gedetailleerder inzicht in de menselijke impact op de oevers van het Zwin.

Geplande sleuf te Hoeke en verwachtte archeologische proxies voor de interpretatie van het middeleeuwse maritieme landschap.

Geschiedenis

Voorbeeld van een bron bewaard in het Stadsarchief van Brugge: Lijst met Engelse goederen geconfisqueerd door de Vlaamse gravin in Sluis, 1371 (Brugge, Stadsarchief, Politieke Charters, nr. 616).

Omdat middeleeuws Brugge de noordelijke handelsroutes langs de Baltische en Scandinavische havensteden verbond met de handelscentra in het Middellandse Zeegebied en vervolgens ook via de zijderoute met het Oosten, kende het onderzoek naar handel in Brugge al heel wat interesse bij historici. Toch bleef het onderzoek tot nu toe vooral beperkt tot luxehandel, financiële instrumenten en de rol van hoteliers en makelaars. Bovendien is het commerciële verleden van Brugge vooral onderzocht door middel van archiefonderzoek zonder de faciliterende rol van het landschap te verbinden met de handelsactiviteiten van het gebied. Het doel van dit project is om de handelsstromen van minder waardevolle grondstoffen te onderzoeken aan de hand van een interdisciplinaire benadering. Met het oog op dit perspectief zal het onderzoek vooral aandacht besteden aan materialen waarvan sporen in de Zwinregio kunnen worden teruggevonden, zoals onder meer steenkool, steen, ijzer, staal, teer, keramiek en hout. Naast de aard en de herkomst wordt ook de bestemming en het gebruik van deze goederen in ogenschouw genomen. Dit levert niet alleen een grondig begrip op van het internationale handelsnetwerk, maar belicht ook de implementatie van bulkgoederen in de stedelijke economie. Dit onderzoek bestrijkt chronologisch de periode tussen ongeveer 1150 en het begin van de Gentse Opstand (1379-1385), het moment waarop buitenlandse kooplieden gedwongen werden het graafschap Vlaanderen te verlaten. Verder ligt de geografisch focus op de noordelijke handelsroutes, waaronder de Engelse havens langs de oostkust en de Hanzesteden in de Baltische regio. Toch zullen ook belangrijke casussen buiten dit noordelijke handelsnetwerk aan bod komen. Zo zal GOA historica Elisa Bonduel kunnen achterhalen op welke manier het Zwingebied functioneerde als een knooppunt binnen een keten van transactienetwerken in Europa.

Om deze onderzoeksvragen te beantwoorden, zal Elisa eerst de geïmporteerde bulkproducten in de Zwinregio identificeren door de toltarieven en stapelprivileges van Brugge en de havens in de regio te analyseren. Deze data zal Elisa vergelijken met de ambachtskeuren van Brugge en andere Vlaamse steden, waardoor ze taalkundige kwesties kan verhelderen en technische processen beter begrijpen. Om bovendien een notie te krijgen van de eigenlijke handel van deze producten, zal Elisa uitgebreid onderzoek voeren in de archiefcollecties van onder meer de Brugse archieven, het Algemeen Rijksarchief in Brussel (ARAB) en het Archive Départementales du Nord (ADN) in Rijsel. Deze collecties omvatten bijvoorbeeld juridische documenten over internationale handel. Een voorbeeld hiervan zijn de rekeningen van de ‘waterbaljuw’, de functionaris die de grafelijke bevoegdheden uitoefende in het Zwin. Ook in de archiefbestanden van de Rekenkamers van de Bourgondische hertog worden tolrekeningen van Biervliet, Damme en Nieuwpoort uit het einde van de veertiende eeuw bewaard, die nuttig kunnen zijn voor dit onderzoek. Aangezien Elisa zich zal toespitsen op de handelsbetrekkingen tussen Vlaanderen en de noordelijke handelsregio’s, zullen ook de archiefbronnen die in deze gebieden worden bewaard, deel uitmaken van dit project. In dit opzicht, zullen de Engelse customs accounts een essentiële bron zijn, aangezien Engeland vanaf 1280 de oudste lopende reeks in West-Europa heeft. Wat betreft de Baltische regio zijn dergelijke documenten niet bewaard. Echter, pfundzollisten – tolrekeningen die alleen werden geheven wanneer er sprake was van buitengewone financiële noden zoals in tijden van oorlog – van Hanzesteden als Reval, Lübeck, Riga, Pernau, Wendau en Hamburg kunnen een eerste stap zijn om de aard en de variëteit van de handelsgoederen die naar Vlaanderen werden verscheept, beter te begrijpen.

Kaart van handelsroutes in laatmiddeleeuws Noord-Europa (14de eeuw), data verkregen via: Anders Reisnert, “Trade in Medieval Malmö,” in Lübecker Kolloquium Zur Stadtarchäeologie Im Hanseraum II: Der Handel (Lübeck: Verlag für Regionalgeschichte, 1999), 493 en Rolf Hammel-Kiesow, “Lübeck and the Baltic Trade in Bulk Goods for the North Sea Region 1150-1400,” in Cogs, Cargoes and Commerce: Maritime Bulk Trade in Northern Europe 1150-1400, ed. Lars Berggren, Nils Hybel, and Annette Landen (Toronto: Pontifical Institute of Mediaeval Studies, 2002).

Micropaleontologie

NPP: HdV type 531 Trichuris sp.: ei van parasiet afkomstig uit mens of dier.

Het vroegere landschap rond het Zwin zal gereconstrueerd worden door een micropaleontologische analyse van kustvlaktesedimenten. Dit onderzoek focust enerzijds op terrestrische palynomorfen (vb. pollen, sporen en niet-pollen palynomorfen [NPPs]) en anderzijds op mariene palynomorfen (vb. diatomeeën, eencellige groene algen en dinoflagellaten). Beide soorten micro-organismen worden geëxtraheerd uit kustsedimenten door chemische maceratie. Het identificeren en kwantificeren gebeurt vervolgens met een transmissie lichtmicroscoop onder hoge vergroting gezien de kleine afmetingen van de micro-organismen (doorgaans < 50 µm). De lokale evolutie van het landschap kan uiteindelijk bepaald worden door de evaluatie in een synoptisch plot van de verticale variatie van terrestrische palynomorfen zoals pollen van bomen, kruiden en aquatische planten, sporen en NPPs. De aanwezigheid van bijvoorbeeld marine diatomeeën of dinoflagellaten in de verticale sequentie zijn dan weer indicatief voor mariene inbraken. Deze data zullen ons toelaten om de evolutie in vegetatie te visualiseren doorheen de tijd en helpen ons aldus om de laatmiddeleeuwse landschappen rond de getijdengeul te reconstrueren.

 

Geologie

Om de fysische omgevingsomstandigheden te definiëren die bepalend waren voor de opkomst, de hoogdagen en de achteruitgang van het Brugse havensysteem, waarbij het accent ligt op het gebied van Hoeke gelet op archeologisch casusonderzoek aldaar, is het noodzakelijk dat de Laat-Holocene sedimentaire paleomilieus in het gebied worden gedefinieerd en hun evolutie gereconstrueerd. Om deze doelstelling te bereiken is het noodzakelijk dat het geologisch onderzoek start in een tijdssegment voor de havenactiviteiten omdat de hoedanigheid van de oudere omgeving (fysisch en ecologisch) invloed kan gehad hebben op zowel de impact als de sterkte waarmee factoren (zie hieronder) de Zwingetijdengeul in die tijd hebben doen ontstaan. Daarenboven wordt door de reconstructie van de opeenvolgende sedimentaire omgevingen informatie gegenereerd over de complexe relatie tussen externe veranderingen (vb. stormen, kortstondige klimatologische veranderingen); sedimentatie- en erosieprocessen, inherent aan het sedimentaire systeem of extern geïnduceerde (vb. relatieve verandering op zeeniveau) en zeker niet te vergeten de menselijke activiteit.

Het primaire instrument gebruikt bij de reconstructie van de sedimentaire paleoomgevingen is faciesanalyse. Maar omdat elke plaats en elke omgeving uniek is, is het noodzakelijk om een classificatie van lithofacies in te voeren op basis van een reeks gemeenschappelijke fysische eigenschappen eigen aan het gebied, waardoor de vergelijking en integratie van gegevens op regionale schaal mogelijk is. De dominante textuur en de aanwezigheid van organisch materiaal (in dit geval veen) vormen de basiscriteria bij het definiëren van de hoofdlithofacies. Ieder hoofdlithofacies wordt verder onderverdeeld op basis van de ondergeschikte textuur en sedimentaire kenmerken zoals primaire sedimentaire structuren, of het ontbreken ervan, vervormingsstructuren, bodemvorming, de aanwezigheid van calciumcarbonaat, van organisch materiaal (resten van fauna en/of flora), bioturbaties… . De bruikbare data zijn hoofdzakelijk afkomstig van boringen en elektrische sonderingen (CPT-e’s). CPT-e’s zijn een belangrijk instrument maar het is essentieel dat de CPT-waarden gekalibreerd worden met de lithologie waargenomen in de boringen.

CPT-e boringen in het Zwingebied.

Op basis van de gegevens afkomstig van de gearchiveerde boringen en sonderingen, blijkt dat, hoewel algemeen wordt aanvaard dat een enkele Holocene getijdengeul aanwezig is in de ondergrond van het studiegebied, verschillende getijdengeulen bestaan, allemaal met verschillende afmetingen en verschillende opvullingfacies. Daarom is het in het kader van deze studie noodzakelijk om 1) de stratigrafische positie van de verschillende geulen te bepalen; 2) hun regionale verbreiding; 3) hun evolutie en 4) hun relatie met de laatmiddeleeuwse havenactiviteiten. Als de sedimentaire eigenschappen het toelaten, worden geochronologische methoden toegepast om de afzonderlijke geulopvullingen absoluut te dateren (AMS  14C daterend op terrestrische, o.a. botanische resten, mollusken en OSL/IRSL-dating).

Aangezien het aantal boringen en in sommige gevallen ook de kwaliteit van de bestaande boringen voor de vooropgestelde doelstellingen ontoereikend zijn, wordt een reeks nieuwe boringen gepland. Tijdens de boorcampagne zal bijzondere aandacht besteed worden aan de identificatie van mogelijke extreme energetische afzettingen (storm/tsunami) in het sequenties en hun stratigrafische positie. Indien aanwezig, zullen de storm/ tsunami horizonten worden bemonsterd en geanalyseerd met technieken zoals X-ray-CT (UGent); en micro-CT (GSB).

Nadat iedere boring en sondering geïnterpreteerd is op basis van die ingevoerde lithofacies classificatie zal de nadruk gelegd worden op de correlatie van de afzonderlijke data om een regionale faciesmodel te ontwikkelen. Een essentiële stap in dit proces is de ontwikkeling van een reeks geïntegreerde dwarsdoorsneden die zo zijn geconstrueerd dat een ruimtelijk overzicht wordt gecreëerd.

Tenslotte zal op basis van de gereconstrueerde sedimentaire omgevingen, hun stratigrafische positie en, indien beschikbaar, absolute dateringsresultaten een late Holocene paleogeografische reconstructie van het Zwingebied gemaakt worden.

Publicaties